Pim Koopman Tribute

 

Ton Scherpenzeel

Pim en ik kwamen elkaar rond 1967 tegen in een gymzaaltje te Hilversum, in de buurt van waar wij beiden woonden. Onze vaders werkten allebei bij de omroep, de zijne als slagwerker bij het Radio Kamer Orkest, de mijne als journalist bij de Wereldomroep.

Pim en TonDie omroep had allerlei clubs voor medewerkers en hun familie, OSO genaamd, en de volleybalafdeling daarvan mocht zich verheugen in het lidmaatschap van twee jeugdige, aankomende muzikanten, die dat overigens zelf nog niet wisten, anders waren ze met hun kwetsbare vingers nooit gaan volleyballen. In dat gymzaaltje stond een piano, en op die plek kwamen we erachter dat we dezelfde muzikale interesses deelden.

Ik maak niet vaak mensen aan het lachen, maar bij Pim lukte me dat vrij snel, zo merkte ik. Mijn gecultiveerde – ik geef het toe – onhandigheid van die tijd maakte op hem klaarblijkelijk een uiterst grappige indruk toen ik, bij het opruimen van het net en de ballen na de training, langs mijn neus weg informeerde: “Ik kan zeker niet helpen?”— een herinnering waar hij nooit genoeg van kreeg en die dan ook, wanneer onze eerste kennismaking weer eens ter sprake kwam, altijd uitgebreid en met smaak door hem werd opgehaald.

Pim kreeg überhaupt zelden van iets genoeg, zeker wanneer hij ergens plezier in had. Als we elkaar spraken, en hij was bijvoorbeeld met een plaatopname bezig, dan moest je hem af en toe gewoon op bijna groffe wijze onderbreken. Als je Pim zijn gang liet gaan, zat je zo de rest van de dag vast aan de keukentafel door zijn nooit eindigende journaals over alles en iedereen met wie hij op dat moment aan het werk was. Alle gebeurtenissen en eenieders eigenaardigheden, zowel positief als negatief, werden breed uitgemeten en vol overgave nagedaan. Dat je dat verhaal die week al vaker had gehoord, kwam niet bij hem op. Door al die verhalen, ook over Diesel, had ik het gevoel dat ik Rob Vunderink al jaren persoonlijk heel goed kende nog voordat-ie bij Kayak kwam spelen.

Het hielp daarbij ook dat Pim een ongeëvenaard imitatietalent bezat. Zijn Chriet Titulaer-vertolking was beter dan het origineel. Geen enkel accent of dialect was veilig voor hem – Friezen, Achterhoekers, Limburgers, ze moesten het allemaal ontgelden. In onze beginjaren namen we ook wel eens zelfgemaakte hoorspelen op, waarbij steevast een hoofdrol was weggelegd voor Pim als de heks Eucalypta. “Hèhèhèhèhèhè, Paulussieeeeee!”

Kaalkop PimPim was behalve spraakzaam ook redelijk meegaand, maar er waren grenzen. En hoewel Pims ouders met betrekking tot de bandjes waarin we speelden uiterst coulant en gastvrij waren (we repeteerden in het bepaald niet geluiddichte fietsenschuurtje achter het huis, en namen in huize Koopman vele demo’s op met behulp van de 4-sporen bandrecorder van pa) was er een onderwerp waarover hij voortdurend met hen overhoop lag, namelijk de lengte van zijn haar. Pim wilde dat, net als ik, graag laten groeien, maar zijn ouders waren daar faliekant op tegen en wilden dat hij er ‘fatsoenlijk’ uitzag. Na weer eens voor een knipbeurt weggestuurd te zijn, kwam Pim terug met de ultieme wraak: een bijna kaal geschoren schedel (zie foto). Daarna gaven zijn ouders hun verzet op.

Hadden wíj wel eens ruzie? Jazeker. De eerste keer dat het echt raak was, vergeet ik nooit: in de studio tijdens de opnames van ‘Mountain Too Rough’. Ik weet van mezelf dat ik geen fluwelen pianotoucher heb, maar in de solo van dat nummer deed ik toch behoorlijk mijn best om er enig welgemikt gevoel in te leggen. Helaas kwam die poging op Pim – waarschijnlijk terecht – heel anders over, want hij vroeg me zoiets als waarom ik als een olifant over de toetsen ging. Ik beledigd, hij toen ook, en voor we het wisten liep het ineens gierend uit de klauwen. Uiteindelijk moest producer Gerrit Jan Leenders eraan te pas komen met een tactisch etentje, om de boel weer aan de praat en ons weer samen de studio in te krijgen.

Toch, hoe extravert hij ook leek, vaak genoeg hield hij zich juist in als hem iets dwarszat, en kropte hij dingen op. Aan woorden had hij weliswaar geen gebrek, maar voor hij echt de confrontatie aanging, moest de ander het toch behoorlijk bont maken. Wat dat betreft had ik meestal wat minder moeite om mensen voor het hoofd te stoten.

Pim genoot liever, en eerlijk is eerlijk, dat kon-ie als de beste. En niet alleen van anderen. Ook van wat hij zelf deed en maakte: niemand kon oprechter en blijer iets van zichzelf de hemel inprijzen dan hij. Dat had niets met opscheppen te maken, maar met het kind in hem dat, ondanks alles wat hem in zijn leven is overkomen (en dat was veel) ongeschonden was gebleven en dat hem het vermogen gaf, ergens ongegeneerd trots op te zijn en ervan te blijven genieten.

En dat maakte hem, los van al zijn talenten, tot zo’n beminnelijk mens.